1.Ten minste eens in de drie jaar stellen medewerker en leidinggevende samen een POP op waarin afspraken worden vastgelegd over de ontwikkeling van de medewerker, gericht op de toekomst. Jaarlijks wordt de POP geëvalueerd en kunnen opnieuw faciliteiten voor het komende jaar worden vastgesteld.
2.In het persoonlijke ontwikkelingsplan worden afspraken, voor zover van toepassing en mogelijk, vastgelegd en door de directeur vastgesteld met betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:
Hoofdstuk
Artikel 17:1:2
Artikel 17:1:2
Onderdeel van Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) en Ambtenarenreglement (AR)