Naar hoofdinhoud

Afdeling III.

Artikel 9

Artikel 9

Onderdeel van Parkeerverordening 2012

1.. Het is verboden een parkeermeter op andere wijze, met andere middelen, of met andere munten dan die in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. 2.. Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats gedurende de tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan: een gehandicaptenvoertuig dan wel een motorvoertuig te parkeren indien de parkeerapparatuur niet in werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking wordt gesteld; een gehandicaptenvoertuig dan wel een motorvoertuig geparkeerd te houden indien de parkeerapparatuur aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken. 3.. Het in het tweede lid vervatte verbod geldt niet wanneer: aan de eigenaar of houder van het gehandicaptenvoertuig dan wel het motorvoertuig een vergunning is verleend voor het parkeren op de betreffende categorie parkeerapparatuurplaatsen en; het gehandicaptenvoertuig dan wel het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van die vergunning en; niet gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. 4.. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op parkeerapparatuurplaatsen waar op grond van de geldende Verordening parkeerbelasting naheffingsaanslagen worden opgelegd. 5.. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid.

Rechtspraak bij dit artikel