Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Plicht tot afkoppelen

Onderdeel van Verordening op de afvoer van hemelwater en grondwater

1.. De beheerder van het openbaar riool kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verboden is een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op het openbaar vuilwaterriool. Eenzelfde gebiedsaanwijzing kan door genoemde beheerder worden gedaan ten aanzien van het vrijkomende grondwater bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen. 2.. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om een afvoerleiding voor hemelwater of grondwater, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de gebiedsaanwijzing op het openbaar vuilwaterriool is aangesloten, gedurende een termijn van 12 maanden na die inwerkingtreding aangesloten te houden op het openbare vuilwaterriool. 3.. De beheerder kan de wijze bepalen waarop het afkoppelen plaatsvindt. 4.. De gebiedsaanwijzing heeft mede betrekking op inrichtingen type A en type B zoals genoemd in artikel 1.2 van Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. De gebiedsaanwijzing heeft geen betrekking op inrichtingen type C zoals genoemd in artikel 1.2 van Belsuit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en op de openbare weg. 5.. Bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt de beheerder van het openbaar riool rekening met het gemeentelijk rioleringsplan. 6.. De gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop zij bekend is gemaakt. 7.. De beheerder kan ontheffing verlenen van de verplichting tot afkoppelen die voortvloeit uit de gebiedsaanwijzing, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd. 8.. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel