Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 39.

Schriftelijke vragen

Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad

1.. Schriftelijke vragen worden aan het college of aan de burgemeester kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd. 2.. De vragen worden bij de voorzitter van de raad ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college worden gebracht. 3.. Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de vragensteller en de overige leden hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord. 4.. In spoedeisende gevallen kan een lid van de raad tot 48 uur voor de raadvergadering schriftelijke vragen indienen over bespreekpunten op de agenda. De wethouder, dan wel de burgermeester beslist over de wijze van beantwoording in de vergadering. 5.. De antwoorden van het college of de burgemeester worden door tussenkomst van de griffier aan de leden van de raad toegezonden. 6.. De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende commissievergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde vergadering, om nadere inlichtingen vragen omtrent het door de burgemeester of door het college gegeven antwoord.

Rechtspraak bij dit artikel