De hulpofficieren van justitie als bedoeld onder 1 te machtigen de volgende handelingen te verrichten:
ingeval van kindermishandeling of een ernstig vermoeden daarvan, voordat de burgemeester een besluit neemt tot het wel of niet opleggen van een huisverbod, overleg te plegen met Bureau Jeugdzorg (artikel 3 lid 1 juncto artikel 2 lid 3 van de Wet tijdelijk huisverbod);
het vooraf horen van belanghebbenden bij het opleggen van het huisverbod, zoals bedoeld in de artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht;
in een dermate spoedeisende situatie dat het huisverbod niet tevoren op schrift gesteld kan worden en ook het vooraf horen niet kan worden afgewacht, het huisverbod namens de burgemeester mondeling aan te zeggen aan de uit huis te plaatsen persoon (artikel 3 lid 1 juncto artikel 2 lid 7 van de Wet tijdelijk huisverbod);
het mededelen van het huisverbod en de consequentie van niet naleven, aan de huisgenoten van de uithuisgeplaatste, de aangewezen instantie voor advies en/of hulpverlening en Bureau Jeugdzorg (ingeval van kindermishandeling of een vermoeden daarvan) (artikel 3 lid 1 juncto artikel 2 lid 8 van de Wet tijdelijk huisverbod);
het binnen 24 uur regelen van juridische bijstand voor de uithuisgeplaatste nadat hij/zij hiertoe de eventuele wens te kennen heeft gegeven en wel voor de duur van de behandeling van het verzoek voor een voorlopige voorziening bij de rechtbank (artikel 3 lid 1 juncto artikel 5 lid 1 van de Wet tijdelijk huisverbod);
het uitreiken van de beschikkingen van de burgemeester aan de betrokkenen tot oplegging, verlenging of intrekking van het huisverbod.