Lid 1. Het college verstrekt voorzieningen voor het wegnemen van aantoonbare beperkingen die een persoon ondervindt bij het zich verplaatsen in en om de woning en waarvan het rijden de primaire functie is, dan wel bij het zich verplaatsen bij het beoefenen van sport. Lid 2. De door het college te verlenen voorziening kan bestaan uit: a. een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel voor verplaatsing binnen en buiten de woonruimte, dan wel een aanpassing daaraan; b. een sportrolstoel. Lid 3. De voorziening genoemd onder lid 2 onder b wordt verstrekt indien de aanvrager zonder sportrolstoel niet in staat is tot sportbeoefening. Lid 4. De voorziening genoemd in het tweede lid onder a wordt in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verleend. Lid 5. De voorziening genoemd in het tweede lid onder b wordt in de vorm van een financiële tegemoetkoming verleend.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.1
Type en vorm rolstoelvoorziening
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2011