Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 7.8

Intrekking en beëindiging

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2011

Lid 1 Het college trekt een besluit genomen op grond van deze verordening geheel of gedeeltelijk in, indien: a. niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen gesteld bij of krachtens de wet; b. op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen, terwijl de aanvrager wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat bedoelde gegevens onjuist waren. c. de voorziening niet langer noodzakelijk is. Lid 2. Onverminderd de gronden voor intrekking genoemd in het eerste lid, wordt de beschikking tot verlening van een persoonsgebonden budget ingetrokken of gewijzigd met ingang van de dag vanaf welke de budgethouder schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het budget. Lid 3. Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoons-gebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden, dan wel dat niet binnen zes maanden uitvoering is gegeven aan het besluit. Lid 4. Bij overlijden van de ondersteuningsbehoevende eindigt het persoonsgebonden budget op de dag gelegen na de dag waarop de aanvrager overlijdt. Lid 5. De beschikking tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken of gewijzigd met ingang van de dag waarop de aanvrager zijn verplichtingen niet nakomt. Lid 6. Bij overlijden van de aanvrager eindigt de periodieke financiële tegemoetkoming op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de ondersteunings-behoevende is overleden.

Rechtspraak bij dit artikel