Een aanvrager komt in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, in de vorm van een verstrekking in natura, een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Van een beperking is geen sprake bij een incidenteel verplaatsingsprobleem. De aanvrager moet in staat
worden gesteld zijn wezenlijke sociale contacten te onderhouden, boodschappen te kunnen doen en deel te kunnen nemen aan sociale en culturele activiteiten. In de verordening wordt gesproken over verplaatsingen in het kader van het ‘leven van alledag’ in de directe woon- en leefomgeving. Aspecten die bij de beoordeling van de aanvraag voor een eventuele selectie van een verplaatsingsmiddel een rol spelen zijn: - de ondervonden beperkingen;
- het verplaatsingsmotief van de aanvrager;
- de verplaatsingsbestemming;
- de frequentie van verplaatsen;
- de wijze van verplaatsen. Bij bovengenoemde afwegingen speelt ook de leeftijd van de aanvrager een rol. Kinderen en jong volwassenen hebben een ander verplaatsingsgedrag en – behoefte dan ouderen. Bij de keuze van de voorzieningen dient hier ook rekening mee gehouden te worden.
Naast het vervoer in de directe woon- en leefomgeving kan er sprake zijn van weekendvervoer voor bewoners van een Awbz-erkende instelling. De verplichting van de gemeente om in het kader van de Wmo een compensatie te bieden is niet anders dan de zorgplicht die de gemeente had onder de Wvg. Een vervoersvoorziening in natura of persoonsgebonden budget wordt niet verstrekt indien de aanvrager zich kan verplaatsen met een algemeen gebruikelijk middel. Als algemeen gebruikelijk wordt in ieder geval beschouwd:
- spartamet;
- elektrisch aangedreven fiets;
- aanhang- of koppelfiets;
- fiets met trapondersteuning;
- automatische transmissie;
- bromfiets- scooter;
- ligfiets;
- een auto, indien het inkomen van de aanvrager meer bedraagt dan 1,25 keer het norminkomen zoals bedoeld in de Wet werk en bijstand. Een aanvrager kan voor een vervoersvoorziening in aanmerking worden gebracht, wanneer aantoonbare beperkingen het gebruik van het openbaar vervoer onmogelijk maken.
Aspecten die hierbij een rol spelen zijn:
- de mogelijkheid van de aanvrager om binnen redelijke tijd (20 minuten) een afstand van circa 800 meter af te leggen;
- belemmeringen bij het vervoer zelf, zoals het in- en uitstappen, het zitten, het zich staande kunnen houden bij het wegrijden of afremmen. Kan een aanvrager geen gebruik maken van het openbaar vervoer, dan kan hij/zij in aanmerking komen voor vervoersvoorzieningen.
Uitzonderingen zijn:
- woon-werkverkeer (woon-werkverkeer wordt geregeld door de bedrijfsverenigingen,
ook als het gaat om de combinatie van woon-werkverkeer en deelname maatschappelijk verkeer);
- incidenteel ziekenvervoer (van en naar medische behandelaars);
- leerlingenvervoer. Collectief vraagafhankelijk vervoer (regiotaxi). Op grond van de verordening wordt uitgegaan van het primaat van Collectief vraagafhankelijk
vervoer (regiotaxi). De regiotaxi is een natura verstrekking waarvoor geen persoonsgebonden budget, als alternatief, mogelijk is. Als deelname aan de regiotaxi niet mogelijk is, dan wel onvoldoende is, kunnen andere vervoersvoorzieningen worden afgewogen. Verplaatsing in de directe woonomgeving Indien de gehandicapte zich ook niet in zijn directe woonomgeving kan verplaatsen
(volgens jurisprudentie: op minder dan 100 tot 200 meter), gelet op zijn beperkte loopafstand en geen mogelijkheid heeft zich met een algemeen gebruikelijk middel te verplaatsen (b.v. met een auto, een fiets, een elektrische fiets, spartamet of andere loopmiddelen) kan ook een vervoersvoorziening voor de directe woonomgeving worden toegekend. De regiotaxi is immers minder geschikt voor de korte afstanden. Het kan onder meer gaan om een gesloten buitenwagen, open elektrische buitenwagen, elektrische (buiten)rolstoel, een scootermobiel of een ander verplaatsingsmiddel (bv. een driewielfiets).
Het doel van de vervoersvoorziening is het leveren van een bijdrage in de vervoersbehoefte van de aanvrager. Niet in alle vervoersbehoeften of vervoerskosten hoeft te worden voorzien. Welke vervoersbehoefte bestaat, is van persoon tot persoon verschillend. Er moet dus sprake zijn van regelmatige verplaatsingen, niet van incidentele bezoeken. Daarbij kan er van worden uitgegaan dat voor bewoners van een Awbz-instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag is voorzien. Bij het onderzoek dient dit bekeken te worden. In het kader van de regiotaxi is de woon- en leefomgeving afgebakend door een aantal openbaar vervoerszones.
Kosten voor bovenregionaal vervoer worden slechts vergoed indien de aanvrager geen gebruik kan maken van het hiervoor bestemde landelijk systeem (Valys) en het vervoer noodzakelijk is omdat het gaat om bezoek aan een wezenlijk contact buiten de directe woon- en leefomgeving van de aanvrager, dat alleen onderhouden kan worden door persoonlijk bezoek van de aanvrager en wanneer het wegvallen van dat contact zou leiden tot vereenzaming of sociaal isolement. De vervoersvoorzieningen op grond van de Verordening kan bestaan uit: - een collectief systeem, zoals in Losser de regiotaxi;
- een voorziening in natura;
- een persoonsgebonden budget;
- financiële tegemoetkoming Het is mogelijk een combinatie van voorzieningen te verstrekken, tenzij anders vermeld.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.1
Vervoersvoorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels individuele voorzieningen gemeente Losser 2011