De bespaarde rente wordt berekend over alle reserves en voorzieningen tegen het omslagrentepercentage en komt in eerste instantie centraal ten gunste van de exploitatie.
Elke reserve wordt gecompenseerd voor inflatie door bijschrijving van het inflatiedeel van de bespaarde rente; het rentesurplus (= het verschil tussen omslagrente en de inflatie) komt ten gunste van de algemene reserve.
De rente van voorzieningen komt volledig ten gunste van de exploitatie. Daar staat tegenover dat de diensten indien noodzakelijk de koopkracht van hun voorzieningen op peil kunnen houden door de geraamde dotaties aan voorzieningen jaarlijks te compenseren voor loon- en prijsstijging.
De uitzonderingen op bovenstaande algemene regels zijn:
De bespaarde rente over de volgende reserves en komt volledig ten gunste van de exploitatie:
- Reserve budgetoverheveling (RES005);
- Reserve afschrijving (RES031);
- Revolving fund monumenten (RES045);
- Reserve saldo rekening baten en lasten (RES099).
Rentebijschrijving van reserves waarvan het rentesurplus niet ten gunste van de algemene reserve komt, maar ten gunste van de reserves zelf, zijnde:
Algemene Reserve (RES001);
Grondexploitatie (RES015);
Parkeren (RES016);
Stadsvernieuwing (RES020);
Bijdrage subsidie Filmhuis (RES052) (4,5% vast);
Economische participatie (RES053);
Reserve duurzaamheidslening (RES054).
Het bijschrijven van rente aan reserves is gemeentebreed gemaximeerd met een ‘ijzeren voorraad’. Als de werkelijke rentebijschrijving na afloop van het jaar groter is dan de geraamde rentebijschrijving op grond van de ‘ijzeren voorraad’ dan wordt de werkelijke rentebijschrijving naar rato van de geraamde rentebijschrijvingen gecorrigeerd tot precies de omvang van het gemaximeerde bedrag van de ijzeren voorraad.
Artikel 7
Bespaarde rente
Onderdeel van Richtlijnen voor de renteberekening en inflatie Leeuwarden 2016