1. De norm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van de bewoning van een woning waaraan voor die alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde geen woonkosten zijn verbonden.
2. De verlaging bedoeld in het eerste lid bedraagt:
a. 10% van de gehuwdennormindien belanghebbende een (anti-)krakerswoning bewoont;
b. 20% van de gehuwdennorm indien de belanghebbende geen woonkosten is verschuldigd.