1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:
a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het
onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;
b. (vervallen)
c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels,
-deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek
mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.
2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht van de
Bijlage bij het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage
II.geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat
naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.. Deze
verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.
3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
bruibare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel
2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een
bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in
artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16
van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave
2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
uitgave 2009 niet rechtvaardigen.