Naar hoofdinhoud
1.. De commissie vergadert tenminst vier keer per jaar en voorts zo dikwijls als door de voorzitter danwel tenminste twee leden van de commissie nodig wordt geoordeeld. 2.. De voorzitter draagt er zorg voor dat de oproepingen, spoedeisende gevallen uitgezonderd, tenminste vijf dagen voor de dag der vergadering aan de leden worden toegezonden. 3.. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in artikel 15 bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd. 4.. Elk lid van de commissie is bevoegd om in een naar zijn oordeel spoedeisend geval ter vergadering voor te stellen een onderwerp aan de agenda toe te voegen. 5.. De commissie beslist of, en zo ja in hoeverre aan een voorstel als bedoeld in het derde lid gevolg wordt gegeven. 6.. De vergaderingen van de commissie kunnen worden bijgewoond door de centrale direktie. Deze heeft in de vergaderingen een adviserende stem. De vergaderingen kunnen tevens worden bijgewoond door andere deskundigen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel