1. De auditcommissie kan in een besloten vergadering, op
grond van een belang genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van
bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde
en omtrent de inhoud van een hem overgelegde stukken geheimhouding
opleggen. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling
aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis
dragen in acht
genomen totdat de auditcommissie haar opheft.
2. Indien de auditcommissie zich ter zake van het behandelde
waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot de raad heeft
gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat de raad haar
opheft.
3. Op grond van een belang genoemd in artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd
door de voorzitter van de auditcommissie, het college van burgemeester
en wethouders, ieder ten aanzien van stukken die hij aan de
auditcommissie overlegt. Daarvan wordt op de stukken melding
gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan dat
haar heeft opgelegd dan wel de gemeenteraad haar opheft.
4. De auditcommissie kan op grond van een belang genoemd in
artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, geheimhouding opleggen
ten aanzien van stukken die zij aan het college, aan de raad of de leden
van de raad overlegt. Het bepaalde in de artikelen 25 en 55 van de
Gemeentewet is van toepassing.
5. Indien omtrent stukken die zijn gericht aan de
auditcommissie geheimhouding is opgelegd blijven deze onder berusting
van de griffier in de hoedanigheid van secretaris van de auditcommissie.
De secretaris verleent inzage aan de leden van de auditcommissie alsmede
aan andere personen voor zover aan hen kennisgeving onder geheimhouding
is toegestaan.