Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.8

Beperkingen

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning ISD Bollenstreek 2009

De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; b. de belanghebbende niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor van tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het dagelijks bestuur; c. deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan: - het verbreden van toegangsdeuren; - het aanbrengen van elektrische deuropeners/vergrendelaars; - aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw (mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel); - drempelhulpen en vlonders; - het aanbrengen van een traplift/extra trapleuning bij een portiekwoning; - een opstelplaats voor een rolstoel/scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimte van het woongebouw. d. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; e. de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen; f. verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; g. verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg; h. er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden; i. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen.

Rechtspraak bij dit artikel