1. Burgemeester en wethouders weigeren een splitsingsvergunning indien:
a. het gebruik van de splitsingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan en er geen vrijstelling, als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, van het bestemmingsplan wordt verleend, of
b. de aanvrager niet kan waarborgen, dat de woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing bestemd blijft of blijven, of de voormalige woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing opnieuw bestemd zullen worden voor verhuur ter bewoning, of
c het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft niet opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad.
2. Burgemeester en wethouders weigeren een splitsingsvergunning indien:
a. voor het gebied waarin het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft is gelegen, een stadsvernieuwingsplan als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing of leefmilieuverordening als bedoeld in artikel 9 van die wet van kracht is, dan wel een ontwerp voor zodanig plan of zodanige verordening of voor een herziening daarvan in procedure is,
b. het ontwerp voor dat plan of voor die verordening, dan wel voor de herziening daarvan ter inzage is gelegd voordat de aanvraag van de splitsingsvergunning is ingediend, dan wel, indien de aanvraag krachtens artikel 17 is aangehouden, voordat die aanhouding is geëindigd,
c. de voorgenomen splitsing naar het oordeel van burgemeester en wethouders nadelige gevolgen heeft voor de met het plan of de verordening nagestreefde of na te streven doeleinden,
d. het belang dat de vergunningaanvrager bij de splitsing heeft, niet op weegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de stadsvernieuwing, en
e. de te maken wooneenheden niet zullen voldoen aan enig wettelijk voorschrift.
3. Burgemeester en wethouders weigeren een splitsingsvergunning indien:
a. de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet, en
b. de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende is verzekerd dat die gebreken zullen worden opgeheven.
4. Van gebreken als bedoeld in het vorige lid is in ieder geval sprake indien:
a. burgemeester en wethouders ingevolge de artikel 14 tot en met 25 van de Woningwet een aanschrijving hebben gedaan en deze aanschrijving nog niet is uitgevoerd;
b. het gebouw, waarop de aanvraag om een splitsingsvergunning betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat, die ingevolge de artikel 29 tot en met 38 van de Woningwet onbewoonbaar zijn verklaard.
Hoofdstuk 3
Artikel 16
Gronden tot weigering van een splitingsvergunning
Onderdeel van Verordening wijziging woningvoorraad 2006