Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3

Artikel 31

Algemene bepalingen over stemming

Onderdeel van Reglement van Orde Gemeenteraad 2006

1.. De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke stemming is aangenomen. 2.. In de vergadering aanwezige leden kunnen vragen om in het verslag hun tegenstem of hun stemonthouding te laten aantekenen. 3.. Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, dan meldt de voorzitter dit. 4.. De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad op tot stemmen bij handopsteken, of roept de leden van de raad bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid dat daarvoor overeenkomstig artikel 19 is aangewezen. Vervolgens wordt de presentielijst gevolgd. 5.. Bij hoofdelijke stemming is ieder in de vergadering aanwezig lid, dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, verplicht zijn stem uit te brengen. 6.. De leden brengen hun stem uit door het woord 'voor' of 'tegen' uit te spreken, zonder enige toevoeging. 7.. Heeft een lid een verkeerde stem uitgebracht, dan kan deze vergissing hersteld worden, door voordat het volgende lid gestemd heeft alsnog de juiste stem uit te brengen. Heeft het volgende lid al gestemd, dan kan hij vragen om in de notulen aan te tekenen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit geen verandering. 8.. De voorzitter deelt de uitslag na de stemming mee, met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij deelt mee wat het genomen besluit is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel