Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.5

Uitsluitingsgronden

Onderdeel van Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldambt

1.5.1. Voorziening langdurig noodzakelijk Artikel 2 lid 1 sub a van de Verordening luidt dat een voorziening slechts kan worden toegekend voor zover deze langdurig noodzakelijk is om belemmeringen op het gebied van het voeren van het huishouden, het normale gebruik van de woning, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen. Voorzieningen dienen dus langdurig noodzakelijk te zijn. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de betrokkene voor langere tijd aangewezen dient te zijn op een desbetreffende aanpassing, hulpmiddel of dienst. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl redelijkerwijs verwacht kan worden dat deze beperkingen van voorbijgaande aard zijn, niet voor een voorziening in het kader van de Verordening in aanmerking komt. Een uitzondering hierop kan gelden bij de voorziening huishoudelijke verzorging. Deze voorziening zou immers ook in tijdelijke situaties kunnen worden toegekend. Indien nodig kan de betrokkene voor hulpmiddelen voor een maximale periode van 6 maanden (3 maanden met verlenging van 3 maanden) een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Waar precies de grens ligt tussen langdurig en kortdurend zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen, aanpassingen of diensten zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand situaties van terugval opvolgen kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is. Langdurig noodzakelijk geeft een dubbele afgrenzing. Enerzijds geeft het een afgrenzing in de tijd. Langdurig noodzakelijk staat dan tegenover kortdurend noodzakelijk. De andere afgrenzing geeft een noodzakelijkheid aan. De gevraagde voorzieningen dienen noodzakelijk te zijn, dus niet gewenst of gemakkelijk. Op grond van de Verordening moet er sprake zijn van objectief aantoonbare beperkingen die een voorziening noodzakelijk maken. In geval van een niet-objectiveerbare aandoening wordt een onafhankelijk medisch adviseur om advies gevraagd. Deze adviseur moet vaststellen dat het ernstige beperkingen zijn die worden ondervonden en dus geen klachten. Voorts moeten de beperkingen structureel aanwezig zijn en objectiveerbaar zijn, dus niet beïnvloed door het eigen gevoel van de aanvrager. Tot slot dient hetgeen de aanvrager kan vertellen met betrekking tot de voorgeschiedenis van het ziektebeeld consistent te zijn. 1.5.2. Adequaat, doelmatig en sobere voorziening In artikel 2 lid 1 sub b van de Verordening is bepaald dat een voorziening slechts kan worden verstrekt voor zover deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. Met het begrip adequaat wordt bedoeld ‘volgens objectieve maatstaven nog toereikend’. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Een uitzondering kan zijn dat een kwalitatief beter product de kosten verhoogt, maar ook de duurzaamheid verlengt, waardoor het product langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau dient bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau te worden aangesloten. 1.5.3. Voorziening op het individu gericht Artikel 2 lid 1 sub c van de Verordening bepaalt dat een voorziening, zowel een algemene als een individuele voorziening, in overwegende mate op het individu gericht moet zijn. Door het opnemen van deze bepaling worden hulpmiddelen voor gemeenschappelijk gebruik uitgesloten, hoewel voorzieningen die naast individueel ook een gezamenlijk karakter hebben wel kunnen passen in het kader van de Verordening. Met het op het individu gericht zijn worden de volgende punten bedoeld:- Een aanvraag voor een gemeenschappelijke voorziening is niet mogelijk. Er moet altijd één individuele aanvrager zijn die de voorziening aanvraagt;- Een voorziening wordt alleen verstrekt voor zover het de aanvrager betreft. De aanvrager die bijvoorbeeld een vervoersvoorziening nodig heeft, kan die voorziening alleen ten eigen nutte aanvragen. 1.5.4. Voorziening algemeen gebruikelijk Artikel 2 lid 2 sub a van de Verordening bepaalt dat een voorziening geweigerd wordt indien die voorziening algemeen gebruikelijk is voor de persoon als de aanvrager. Waar de grens ligt tussen wat algemeen gebruikelijk is en wat niet, wordt bepaald door algemeen maatschappelijke normen. Rolstoelen zijn in principe niet algemeen gebruikelijk voor een persoon als de aanvrager. In de tijd kan iets wat voorheen niet als algemeen gebruikelijk werd gezien wel algemeen gebruikelijk worden. De beoordeling wat in het betreffende geval als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd vindt plaats op basis van jurisprudentie en maatschappelijke ontwikkelingen. De Centrale Raad van Beroep heeft in haar uitspraak van 3 juli 2001 (RSV 2001/223) overwogen dat met de hantering van het begrip “algemeen gebruikelijke voorziening” wordt beoogd te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan gelet op de omstandigheden van de betrokken gehandicapte, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij niet gehandicapt was, de beschikking zou (kunnen) hebben. Voorbeelden van zaken die als algemeen gebruikelijk worden gezien:- hendelkranen(Arr. Rb. `s-Hertogenbosch, 17-02-2000, reg.nr. 98/9625 WVG);- thermostaatkranen;- telefoonabonnement;- automatische transmissie in de auto (automaat);- airconditioning in de auto;- stuurbekrachtiging auto;- keramische kookplaat;- kosten van aanschaf en het gebruik van een spartamet/snorfiets/elektrofiets(CRvB 17 december 1996, 95/7818);- wasdroger;- centrale verwarming (CRvB, 28-05-1999, reg.nrs. 98/5258 WVG RO11 93 en 98/5365 WVG RO11 93);- regenkleding;- douche, indien het lavet vervangen dient te worden (CRvB 1 april 1997, 95/5782);- aanpassingen ter vergroting van de veiligheid (deurketting (ook voor blinden geschikt), bijzondere sloten). De criteria die in het kader van de Wmo wordt gehanteerd bij het beoordelen of een zaak als algemeen gebruikelijk aangemerkt kan worden zijn:- is het middel niet speciaal voor mensen met een handicap?- is het normaal in de handel verkrijgbaar, overal te koop?- is het niet duurder dan vergelijkbare producten?Indien de drie vragen met ‘ja’ kunnen worden beantwoord, is veelal sprake van een algemeen gebruikelijke zaak. Meerkosten vanwege de beperkingen van een aanvrager aan algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen onder bepaalde voorwaarden wel recht op aanspraken geven (bijvoorbeeld aanpassingen aan fiets of auto). Algemeen gebruikelijke zaken zouden conform jurisprudentie toch voor vergoeding in aanmerking kunnen komen indien een ziekte of gebrek noopt tot plotselinge onvoorzienbare vervanging van zaken, die reeds recent vervangen zijn en anders niet vervangen zouden worden. Hierbij wordt wel het inkomen van de aanvrager beoordeeld; er dient sprake te zijn van een inkomen, dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen. 1.5.5. Aantoonbare beperkingen Op grond van de Verordening moet er sprake zijn van objectief aantoonbare beperkingen die een voorziening noodzakelijk maken. Daarbij dienen de aantoonbare beperkingen die men ondervindt in het wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen het gevolg te zijn van ziekte of gebrek. Of er sprake is van ziekte of gebrek zal veelal op grond van een medische diagnose moeten worden vastgesteld. Vervolgens moet op grond van die diagnose aan kunnen worden gegeven of de onder¬vonden beperkingen en de daaruit voortvloeiende belemmeringen een direct gevolg zijn van ziekte of gebrek. De adviseur moet vaststellen dat het ernstige beperkingen zijn die worden ondervonden en dus geen klachten. Voorts moeten de beperkingen structureel aanwezig zijn en objectiveerbaar zijn, dus niet beïnvloed door het eigen gevoel van de aanvrager. Tot slot dient hetgeen de aanvrager kan vertellen met betrekking tot de voorgeschiedenis van het ziektebeeld consistent te zijn Ouderdom is op zich niet synoniem aan ziekte of gebrek. Toch kan een gebrek nauw samenhangen met het ouderdomsproces. Het gegeven dat men oud is, is op zich dus geen indicatie voor voorzieningen in het kader van de Wmo. Wel kunnen gebreken als gevolg van slijtageprocessen, onverbrekelijk verbonden aan het ouder worden, aantoonbare beperkingen opleveren en daardoor aanleiding zijn om in het kader van de Wmo voorzieningen te treffen. Wat te doen bij aantoonbare beperkingen zonder dat er sprake is van aantoonbare ziekte of gebrek. Zo kunnen pijnklachten soms een psychische of psychiatrische achtergrond hebben en zijn moeilijk naar een concrete ziekte of een concreet gebrek te herleiden, terwijl er nauwelijks discussie is over de vraag of er sprake is van beperkingen. De gemeente is zeer terughoudend in het verstrekken van voorzieningen als de arts constateert dat er sprake is van een niet objectiveerbaar ziektebeeld. In bijzondere gevallen kunnen aantoonbare beperkingen, waar geen objectiveerbaar ziektebeeld aan ten grondslag ligt, noodzaken tot verstrekking van een voorziening, omdat het niet verstrekken van een voorziening kan leiden tot gezondheidsschade. Hoofdregel: Bij afwezigheid van een geobjectiveerd ziektebeeld heeft de gemeente geen zorgplicht tot het verstrekken van voorzieningen op grond van de Wmo. Uitzondering. Toekenning van een (tijdelijke) Wmo voorziening. Voor toekenning van een voorziening dient het indicatie-orgaan een met de gemeente afgesproken ‘adviestraject’ te doorlopen. Voorwaarde voor de verstrekking van voorzieningen is dat meerdere (onafhankelijke) medisch deskundi¬gen een vrijwel eenduidige opvatting hebben over de beperkingen en de prognose op langere termijn en dat de voorziening niet strijdig is met lopende behandelplannen. Voor de gemeente is het voor de besluitvorming van belang te weten of er sprake is van een niet geobjectiveerd ziektebeeld, omdat er in dat geval door de gemeente een toetsing dient plaats te vinden van het afgesproken adviestraject. Zo is afgesproken dat het positieve medische advies door twee artsen is ondertekend. Enkele niet objectiveerbare ziektebeelden zijn: Myalgische Encephalomyelitis (ME), Fibromyalgie, Whiplash en bekkeninstabiliteit. 1.5.7. Uitrustingsniveau sociale woningbouw Artikel 2 lid 2 sub d van de Verordening bepaalt dat een voorziening geweigerd wordt voorzover deze betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dit uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn van voldoende kwaliteit.Een voorbeeld is een garage, waarvoor een elektrische deuropener wordt aangevraagd om er gebruik van te kunnen maken. Omdat een garage niet tot het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw behoort, zal aanpassing niet verstrekt worden in het kader van de Wmo, tenzij de garage de enige plek is waar bijvoorbeeld een scootmobiel gestald kan worden. 1.5.8. Meerkosten In artikel 2 lid 2 sub e van de Verordening is bepaald dat indien er geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd, geen voorziening zal worden toegekend.De Wmo kent het compensatiebeginsel, maar dan moet er wel wat te compenseren zijn. Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt een auto te hebben zal als hij die auto moet hebben vanwege een handicap niet in een andere situatie komen. Er zijn dan geen meerkosten die gecompenseerd moeten worden.Het onderzoek naar meerkosten is van belang in situaties waarin twijfel bestaat over de noodzaak van een voorziening. 1.5.9. Kosten reeds gemaakt Artikel 2 lid 2 sub f van de Verordening luidt dat geen voorziening wordt verstrekt voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van de aanvraag al heeft gemaakt. Niet eerder dan nadat het college een beslissing over de aanvraag voor een voorziening heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de realisatie van de werkzaamheden of mag een voorziening worden aangeschaft. Pas op dat moment heeft het cluster Wmo alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorzieningen. Indien voorzieningen reeds zijn aangeschaft of zijn gerealiseerd, is een zinvolle beoordeling van de oorspronkelijke situatie onmogelijk. Bovendien heeft het cluster Wmo geen invloed kunnen uitoefenen op de gekozen materialen. Door deze bepaling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als een adequaat, doelmatig en sobere voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is. 1.5.10. Voorziening reeds eerder verstrekt Op grond van artikel 2 lid 2 sub g van de Verordening wordt een voorziening geweigerd indien een zelfde voorziening reeds eerder krachtens de Verordening, dan wel krachtens de aan de Verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken. Deze zal verderop in dit Verstrekkingenboek gedefinieerd worden.Dit is een vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwd dient te worden. Toch komt het met enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een scootmobiel rijdend te houden. Dit kan gebeuren uit onzorgvuldigheid, onder invloed van alcohol of drugs enz. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden.Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening verloren gaat. Gedurende de verdere afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe voorziening verstrekt te worden.Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn.Als iemand een persoonsgebonden budget heeft kan op gelijke wijze bij verlorengaan gedurende looptijd gehandeld worden. Indien in een woning een dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep gedaan worden in het kader van de Wmo.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel