Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5.

Artikel 33.

Artikel 33.

Onderdeel van MONUMENTEN- EN ARCHEOLOGIEVERORDENING 2011

1.. Voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie als historische kern aangeduide gebieden of binnen de grenzen van gemeentelijke archeologische monumenten dient een archeologisch vooronderzoek plaats te vinden waar uit moet blijken wat de archeologische verwachting is. 2.. Voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie als gebied met hoge archeologische verwachting aangeduide gebieden dient een archeologisch vooronderzoek plaats te vinden. Dit geldt niet wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden binnen de bebouwde kom én het plangebied kleiner is dan 1.000 m2 of wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden buiten de bebouwde kom én het plangebied kleiner is dan 2.500 m2. 3.. Voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie als ‘overige gebieden’ aangeduide gebieden is archeologisch vooronderzoek noodzakelijk tenzij het plangebied kleiner is dan 5.000 m2. 4.. Indien de resultaten van het in lid 1 tot en met lid 3 genoemde onderzoek daartoe aanleiding geven kan het college besluiten vervolgonderzoek verplicht te stellen waaruit moet blijken wat de omvang en de kwaliteit van de archeologische vindplaats is; 5.. Indien de resultaten van het in lid 4 genoemde onderzoek daartoe aanleiding geven kan het college besluiten een definitieve archeologische opgraving verplicht te stellen. 6.. Het in lid 1 tot en met lid 5 genoemde archeologische onderzoek hoeft niet te worden verricht wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden in evident eerder verstoorde bodem of wanneer de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 40 centimeter onder maaiveld of wanneer het een project betreft met een oppervlakte kleiner dan 100 m2.

Rechtspraak bij dit artikel