Lid 1
De ambtenaar die een vermoeden van een misstand wil melden, doet dit bij
zijn direct leidinggevende of, indien hij melding aan zijn direct leidinggevende
niet wenselijk acht, bij diens leidinggevende of de vertrouwenspersoon.
Lid 2
De ambtenaar kan de vertrouwenspersoon verzoeken zijn identiteit bij het
college niet bekend te maken. De ambtenaar kan dit verzoek te allen tijde
herroepen.
Lid 3
De leidinggevende dan wel de vertrouwenspersoon draagt er zorg voor dat
het college onverwijld op de hoogte worden gesteld van een gemeld vermoeden
van een misstand en van de datum waarop de melding ontvangen is.
Naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een misstand stelt
het college onverwijld een onderzoek in.
Lid 4
Het college zendt aan de ambtenaar die een vermoeden van een misstand heeft
gemeld, een ontvangstbevestiging. De ontvangstbevestiging bevat het gemelde
vermoeden van een misstand en het moment waarop de ambtenaar het vermoeden
aan de leidinggevende of de vertrouwenspersoon heeft gemeld.