Lid 1
De vergoeding wordt doorbetaald tijdens afwezigheid van de ambtenaar gedurende maximaal zes aaneensluitende weken.
Lid 2
Indien afwezigheid van de ambtenaar van meer dan zes aaneensluitende weken in redelijkheid is te voorzien, wordt de vergoeding de lopende en de eerstvolgende kalendermaand nog uitbetaald en daarna stopgezet.
Lid 3
De uitbetaling van de reiskostenvergoeding wordt hervat met ingang van de eerste dag van de maand volgende op de maand van herstel of terugkeer.
Lid 4
Bij gedeeltelijke langdurige afwezigheid wordt de vergoeding aangepast naar rato van het aantal reisdagen.
Hoofdstuk
Artikel 4