Lid 1
Indien daar naar het oordeel van het college aanleiding voor is, kan de ambtenaar maandelijks een voorschot aan reiskosten worden toegekend op basis van de werkelijk afgelegde kilometers in het afgelopen kalenderjaar maal de vergoeding bedoeld in artikel 5, vijfde lid.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid wordt het voorschot gebaseerd op een geschat aantal kilometers, indien de verwachting bestaat dat de met het motorrijtuig af te leggen kilometers voor de dienst in het komende kalenderjaar in belangrijke mate zullen afwijken van de afgelegde kilometers in het afgelopen kalenderjaar.
Lid 3
Het in het eerste lid genoemde voorschot kan ten hoogste eenmaal per kalenderjaar worden herzien.
Lid 4
De betaling van het voorschot geschiedt in twaalf maandelijkse termijnen tegelijk met de salarisbetaling.
Lid 5
Zo spoedig mogelijk na het einde van het kalenderjaar wordt de definitieve aanspraak op reiskostenvergoeding voor dat kalenderjaar door het college vastgesteld aan de hand van de werkelijk afgelegde kilometers en met toepassing van het toelagen- en vergoedingenoverzicht.
Lid 6
Een positief verschil tussen de definitieve aanspraak op reiskostenvergoeding, als bedoeld in het vijfde lid en het op grond van het eerste lid toekende voorschot, wordt de ambtenaar zo spoedig mogelijk uitbetaald, een negatief verschil zal indien mogelijk met toekomstige betalingen worden verrekend.
Lid 7
Ingeval een voorschot is toegekend, is de ambtenaar verplicht maandelijks een opgave aan het college te verstrekken van het totaal aantal voor de dienst met het motorrijtuig afgelegde kilometers.
Hoofdstuk
Artikel 6