De decentrale vertrouwenspersoon heeft tot taak:
Opvangen van de medewerker die bij hem melding maakt van ongewenst gedrag en het geven van advies en steun aan die medewerker.
Informeren van de medewerker over de verschillende wegen die openstaan om de problemen, ontstaan door het ongewenst gedrag tot een oplossing te brengen.
Behandelen en zo spoedig als mogelijk afdoen van een melding.
Zonodig doorverwijzen van de medewerker naar de centrale vertrouwenspersoon.
Bieden van ondersteuning bij het afdoen van een melding.
Zonodig doorverwijzen van de medewerker naar interne of externe deskundigen.
Gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan afdelingshoofd(en) of andere personen binnen de organisatie betreffende preventie en bestrijding van ongewenst gedrag.
Bieden van nazorg aan de medewerker die een melding heeft gedaan.
Afdelingen en/of afdelingshoofden behulpzaam zijn bij het verzorgen van voorlichting en publiciteit over ongewenst gedrag en de uitvoering van deze regeling.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2:2
Taken en verantwoordelijkheden van de de-centrale vertrouwenspersoon
Onderdeel van Regeling Ongewenst Gedrag (2011)