Indien de ambtenaar na het verrichten van wachtdienst werkelijk dienst moet doen en als gevolg hiervan de bepalingen van de Arbeidswet 1919, de Rijtijdenwet 1936 en de hierop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur het noodzakelijk maken dat de ambtenaar voor de aanvang van de dagelijkse werkzaamheden eerst een rustpauze in acht behoort te nemen, dan geschiedt dit in diensttijd met behoud van bezoldiging.