1. Burgemeester en wethouders trekken een urgentieverklaring in, indien:
a. aan de vereisten voor het verkrijgen van een urgentie niet meer wordt voldaan;
b. de urgentie is verstrekt op grond van gegevens waarvan de houder van de
urgentie wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;
c. de houder van de urgentie daarom verzoekt.
2. De urgentieverklaring vervalt automatisch indien de houder van de urgentie na de afgifte van de urgentie zelfstandige woonruimte voor onbepaalde tijd in gebruik heeft genomen.
De urgentieverklaring vervalt automatisch indien de houder van de urgentie niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 9, lid 6, sub b.
De urgentieverklaring vervalt indien de termijn waarvoor zij is verstrekt is verstreken.
Hoofdstuk 2
Artikel 11
Artikel 11
Onderdeel van Verordening houdende regels omtrent de verdeling van woonruimte en de onttrekking van woonruimte