**1..** Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college
een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in
een bestaande uitweg naar de weg.
**2..** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
daaronder verstaat.
**3..** Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste
uitweg en een foto van de bestaande situatie
overgelegd.
**4..** Het college laat binnen vier weken na ontvangst van de
melding weten of het college aan de gewenste uitweg
voorschriften stelt of overweegt de uitweg in zijn geheel te
verbieden.
**5..** Het college stelt voorschriften aan de gewenste uitweg
indien door het realiseren ervan:
gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor
het wegverkeer ter plaatse;
het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats
onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden
gemaakt;
het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt
aangetast;
de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of
dreigt te worden geschaad.
**6..** Het college kan de aanleg van een uitweg verbieden wanneer
door middel van het stellen van voorschriften niet voldoende
tegemoet gekomen kan worden aan het algemeen belang. De
belangen die het college hierbij in ieder geval afweegt
zijn:
gevaar of hinder voor het wegverkeer ter
plaatse;
het gebruik van een bestaande openbare
parkeerplaats;
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
omgeving;
de bescherming van openbare groenvoorzieningen.
**7..** Het college stelt de indiener van de melding binnen zes
weken na ontvangst van de melding op de hoogte van de
voorschriften als bedoeld in het vierde lid of het verbod
als bedoeld in het zesde lid.
**8..** Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
Rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of een provinciale
regeling.
Hoofdstuk 2. › Afdeling 1: › Paragraaf 4:
Artikel 2.1.4.3.
Maken en/of veranderen van een uitweg
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening