Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 1: › Paragraaf 5:

Artikel 2.1.5.10.

Voorzieningen voor verkeer, verlichting en veiligheid

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening

1.. De rechthebbende op een weg of een zich aan of op een weg bevindende onroerende zaak is verplicht toe te laten dat op, in of over die weg, dan wel aan of op de onroerende zaak, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting of de openbare veiligheid worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.. Burgemeester en wethouders maken tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid hun besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3.. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Rechtspraak bij dit artikel