Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 3:

Artikel 2.3.14.

Loslopende honden, verboden plaatsen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening

1.. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; zonder toezicht elders dan op zijn erf; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, sportveld, zandbak of speelweide dan wel op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats; op een begraafplaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.. Het in het eerste lid onder c. en d. gestelde verbod geldt niet voor personen die in verband met hun auditieve, visuele of lichamelijke handicap gebruik maken van een daarvoor opgeleide geleidehond alsmede voor ambtenaren van politie en medewerkers van bewakingsdiensten die voor de uitoefening van hun taak gebruik maken van een surveillancehond, speurhond of “beveiligingsdiensthond”.

Rechtspraak bij dit artikel