Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.1.

Artikel 2.1.

Onderdeel van Reclamebeleid (voor reclames aan panden)

Naast de onder 1.1. genoemde bepalingen gelden voor de binnenstad de volgende bepalingen: reclames dienen tegen de gevel te worden aangebracht; reclames, waarvan de bevestigingsconstructie in verhouding tot de aan te brengen reclame en het gebouw te ver uit het gevelvlak steekt, dan wel reclames, die niet loodrecht op of niet evenwijdig aan en vlak tegen de gevel zijn geplaatst zijn niet toegestaan; reclames met verticaal aangebrachte belettering zijn niet toegestaan; bewegende reclames, de zogenaamde lichtcouranten hieronder begrepen en lichtreclames met veranderlijk of met tussenpozen verschijnend licht zijn niet toegestaan; de bevestigingsconstructies van reclames, waaronder toevoerleidingen en hulptoestellen dienen zoveel mogelijk aan het oog te zijn onttrokken; het totaal aan reclames dient te blijven binnen een percentage van 15% van het geveloppervlak dat op grond van artikel 2.2 in aanmerking komt voor het aanbrengen van reclames; het aantal reclameaanduidingen e.d. dient beperkt te blijven tot drie per pand, eventueel te verhogen met maximaal 2 vlaggen met handelsreclame; op monumenten is het aanbrengen van verlichte reclames uitsluitend toegestaan indien deze zijn uitgevoerd in losse letters in neon en beperkt blijven tot maximaal 60% van de gevelbreedte; op monumenten is het aanbrengen van onverlichte reclames, in afwijking van het bepaalde in artikel 2.2 uitsluitend toegestaan tot een maat van maximaal 60% van de gevelbreedte; het aanbrengen van (reclame)lantaarns bij horecapanden is toegestaan aan weerszijden van de entree en overigens met een minimale afstand van 5 meter tot elkaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel