Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Afdeling 3

Artikel 5.3.14

Ligplaats aan laad- of losplaats

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tytsjerksteradiel

1.. Het is verboden aan een bij de gemeente in beheer en onderhoud zijnde laad- en losplaats met een vaartuig ligplaats in te nemen anders dan ter onmiddellijke lading of lossing. 2.. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. 3.. De ontheffing is persoonsgebonden. Artikel 5.3.15 Laad en losplaats het is verboden op een gemeentelijke laad- en losplaats: andere goederen aanwezig te hebben dan die, welke bestemd zijn ter lading in een vaartuig of welke aldaar uit een vaartuig gelost zijn; levende dieren langer dan een uur en goederen en stoffen langer dan 24 uur te doen verblijven; goederen zodanig aanwezig te hebben, dat deze het laden of lossen van andere goederen belemmeren; goederen, die niet voor onmiddellijke lading bestemd zijn, op te slaan binnen een afstand van twee meter uit de walkant; agressieve stoffen te laden of te lossen: langer dan 2 x 24 uur aaneengesloten te laden of te lossen Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid vervatte verbod. De ontheffing is persoonsgebonden. Artikel 5.3.16 Hinder of gevaar door laden of lossen De schipper van een vaartuig is verplicht het laden en lossen van dat voertuig te stoppen indien hem door of namens het college mededeling is gedaan, dat naar het oordeel van het college of naar het oordeel van een door het college aangewezen toezichthouder, hierdoor gevaar of verontreiniging voor de omgeving wordt veroorzaakt. Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5.4.1 Crossterreinen Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c in het belang van de veiligheid van het publiek. 3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de provinciale verordening ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. De ontheffing is persoonsgebonden. Afdeling 5 Verbod vuur te stoken Artikel 5.5.1 Verbod vuur te stoken Het is verboden in de openlucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3 . De ontheffing kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; ter bescherming van de woon- en leefomgeving; ter bescherming van de flora en de fauna; ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet, stof, walm of stank. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover: het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke of het betreft vuur voor koken, bakken en braden, vuurkorven of terraskachels, indien dat geen gevaar of onaanvaardbare hinder oplevert voor de omgeving. het betreft door het college aangewezen plaatsen voor de door het college aangewezen stoffen. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer, artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Milieuverordening. De in het vierde lid genoemde uitzonderingen gelden niet in op enigerlei wijze als zodanig aangegeven natuurgebieden en de particuliere terreinen die daarbinnen liggen. De ontheffing is persoonsgebonden. Afdeling 6   Straatnaamborden, huisnummers e.d. Artikel 5.6.1 Gedoogplicht aanduidingen (vervallen) Artikel 5.6.2 Verwijdering e.d. van aanduidingen (vervallen) Afdeling 7 Verstrooiing van as Artikel 5.7.1 Begripsomschrijving In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 5.7.2 Verboden plaatsen Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; de gemeentelijke begraafplaatsen; Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. De ontheffing is persoonsgebonden. Artikel 5.7.3 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6.1 Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, met uitzondering van het bepaalde in de artikelen 2.1.5.2, 2.1.5.3, 4.5.2, 4.5.4, 4.5.6 en 4.7.2, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Artikel 6.2 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aangewezen personen. Artikel 6.3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Tytsjerksteradiel van maart 2011 wordt ingetrokken. Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is bekendgemaakt. Artikel 6:5 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Tytsjerksteradiel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel