In deze paragraaf wordt verstaan onder:
wet: de Wet op de kansspelen;
speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening
van een spel dat bestaat uit een door de speler in
werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch
proces, waarbij het resultaat kan leiden tot een
middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of
premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder
te spelen;
behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan:
het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een
verlengde speelduur of het recht op gratis spellen
en
het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de
speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel
geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik
van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke
mate de speelduur verlengd of het recht op gratis
spellen verkregen wordt;
kansspelautomaat: een speelautomaat die geen
behendigheidsautomaat is;
speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het
publiek gelegenheid te geven een spel door middel van
speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c,
eerste lid, onder c, van de Wet;
ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die de
speelautomatenhal exploiteert;
beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de
onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is
belast.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 3 › Paragraaf 3
Artikel 2.3.3.1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen (1992)