De individuele woonvoorzieningen die onderscheiden worden zijn:
een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;
een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;
een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening;
een uitraasruimte.
Een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten:
In een drietal gevallen komt men hiervoor in aanmerking:
de aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning;
de aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem (zie 4.4). Ook is het mogelijk dat de betreffende woning niet kan worden aangepast;
voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont.
Wanneer de verhuizing al heeft plaatsgevonden en de aanvraag nog niet is beschikt, wordt er geen persoonsgebonden budget verstrekt. Uitzondering kan zijn, wanneer vastgesteld wordt dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing.
Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen persoons-gebonden budget verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning.
Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening:
De aanpassing moet het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Dat betekent dat voorzieningen met een therapeutisch doel, noodvoorzieningen of voorzieningen met een incidenteel karakter niet in aanmerking komen voor aanpassing.
Een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening:
Bij niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorzieningen, ook wel losse voorzieningen, gaat het bijvoorbeeld om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. Het gaat hier niet om inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vaste voorziening.
Ook zal bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook situaties waarin mensen in een slooppand wonen.
Een uitraasruimte:
Bij een uitraasruimte gaat het om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen komen. De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van verstrekking.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.5
Soorten individuele woonvoorzieningen
Onderdeel van Verstrekkingenboek Maatschappelijke Ondersteuning 2009, Beleidsregel