Voor het vaststellen van een persoongebonden budget wordt in opdracht van de gemeente een programma van eisen opgesteld door een medisch adviseur. Dit is een externe adviseur waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten voor sociaal medische advisering. Het programma van eisen wordt voorzien van een advies voor de goedkoopst adequate voorziening. Hiermee wordt de waarde van het persoonsgebonden budget bepaald. Het persoonsgebonden budget wordt verhoogd met een percentage voor onderhoud en verzekering. Dit percentage is gelijk aan het percentage die wordt gebruikt voor onderhoud en verzekering met de leverancier voor hulpmiddelen voor de gemeente.
Er wordt geen persoonsgebonden budget toegekend als uit het medisch advies blijkt dat er sprake is van een progressief ziektebeeld en duidelijk is dat een voorziening op korte termijn moet worden vervangen.
Bij een positief advies ontvangt de aanvrager een beschikking van de gemeente waarin de hoogte van het persoonsgebonden budget is opgenomen. Bij de beschikking is een afschrift van het medisch advies en het programma van eisen bij de beschikking gevoegd.
Het persoonsgebonden budget moet aangewend worden voor het aanschaffen van een verantwoorde voorziening. Richtlijn daarbij is dat het een voorziening is die bijvoorbeeld betrokken wordt van een leverancier die is aangesloten bij een overkoepelende branchevereniging voor revalidatiedetailhandel. Ook is het CE-keurmerk op de voorziening van toepassing.
Het persoonsgebonden budget wordt overgemaakt nadat de aanvrager na beschikken van de gemeente een originele nota/factuur van de aangeschafte voorziening overlegt. De gemeente beoordeelt of de voorziening is aangeschaft in overeenstemming met het programma van eisen van het medisch advies én de eisen die zijn gesteld aan een verantwoorde voorziening. Als de voorziening daarmee niet in overeenstemming is, wordt het persoonsgebonden budget niet uitgekeerd. Hiervan wordt door gemeente een gemotiveerde beschikking naar de aanvrager verstuurd.
Het persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor de duur van zeven jaar voor scootmobielen, driewielfietsen of fietsen in een bijzondere uitvoering. Voor kindervoorzieningen wordt het budget verstrekt voor de duur van twee jaar. Binnen deze termijnen kan de aanvrager geen nieuwe aanvraag indienen voor een vervoersvoorziening.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.6
Persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen
Onderdeel van Verstrekkingenboek Maatschappelijke Ondersteuning 2009, Beleidsregel