Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
onderscheiden:
de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
bestaande uit:
° nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
dezelfde locatie;
° uitbreiding van een gebouw waarin een school is
gehuisvest;
° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;
° verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
behoeve van de huisvesting van een school;
° terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder
a sub 1o tot en met 4o omschreven voorziening;
° inrichting met onderwijsleerpakket [invullen voor vwo, avo
en vbo: of met leer- en hulpmiddelen] voor zover deze nog
niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
aanmerking is gebracht;
° inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
gebracht;
° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
medegebruik van een gymnastiekruimte [invullen voor bepaalde
soorten (v)so: en een bad voor watergewenning of
bewegingstherapie];
aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
zoals onderscheiden in bijlage I ;
onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of
meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;
herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw
veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
wanprestatie;
herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair ingeval
van bijzondere omstandigheden;
huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd
gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van het
onderwijs in lichamelijke oefening.
Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen
Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1° en a2° kan
een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding. Hierop
is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.
Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen
Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
geval.
De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
inachtneming van het bepaalde in bijlage IV , deel A. De
vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
deel B.
Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
bedoeld in artikel 2, onder a6°, a7°en a8° Deel B van bijlage IV is
van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder
a1° tot en met a5°, b tot en met f en bij toekenning van bekostiging
voor de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3.
Artikel 5 Informatieverstrekking
Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
verordening.
Het college kan nadere regels stellen aan de
gegevensverstrekking.
Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
college vastgesteld formulier.
Hoofdstuk 2 Programma en overzicht
Paragraaf 2.1 Aanvragen programma
Artikel 6 Indiening aanvraag
Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt
voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het betreffende
programma door het bevoegd gezag ingediend bij het college. Hierbij
wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
aanvraagformulier.
Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid, neemt
het college niet in behandeling.
Het college van burgemeester en wethouders kan voor
onderhoudsaanvragen gebaseerd op het meerjarenonderhoudsprogramma in
overleg met de schoolbesturen een afwijkende procedure vaststellen,
mits de gemeenteraad voor deze aanvragen voldoende gelden in de
begroting heeft gereserveerd.
Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
behandelen onvolledige aanvraag
De aanvraag vermeldt in ieder geval:
de naam en het adres van de aanvrager;
de dagtekening;
de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;
welke voorziening wordt aangevraagd;
de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
voorziening;
de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
voorziening.
In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
aanvraag vergezeld van:
een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in
artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2,
onder d, e en f;
de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft
als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1° tot en met
4°;
een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt,
indien het een voorziening betreft bestaande uit:
° nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke
vervanging van een gebouw;
° onderhoud aan een gebouw van een school voor
basisonderwijs of van een school voor (voortgezet)
speciaal onderwijs, of;
° herstel van een constructiefout.
Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname'.
een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een
voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid,
laatste volzin van toepassing is;
een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld
in artikel 27.
Het college stelt de aanvrager voor 15 februari
schriftelijk op de hoogte van het ontbreken van gegevens, als
bedoeld in het eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot
15 maart in de gelegenheid gesteld de
ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de vereiste gegevens niet
voor 15 maart zijn verstrekt, neemt het college
de aanvraag niet in behandeling.
Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1
oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt, dan
zendt de aanvrager het college onverwijld een afschrift van de
jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op
de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de betrokken school.
Indien het college het afschrift niet binnen een week na de
wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit
schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de
gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van
ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien het
afschrift niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is
verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.
Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen
Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de
ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en
geeft daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
genomen.
Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
overzicht
Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting
Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe te
lichten.
Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de aanvraag
een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid,
laatste volzin van toepassing is en het college van oordeel is dat
de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting dient te worden
aangepast. Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van
het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf
2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer er in het overleg
geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde
bedrag. Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het
geraamde bedrag aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt
uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.
Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad
Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden
de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld
hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar
voren te brengen.
Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken
voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis
gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud
van het voorstel. Zij worden hierbij tevens in kennis gesteld van de
voorgenomen inhoud van het voorstel.
De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde
datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het
college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis.
Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde
gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig
ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de
reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag wordt
toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.
Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de Onderwijsraad
over het voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het
programma, in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid
van inrichting, maakt dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in
het eerste lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk
gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van
de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het verband
aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de
vrijheid van inrichting.
De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het overleg
in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen over
een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het schriftelijke
verzoek om advies en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen
maken deel uit van het verslag van het overleg als bedoeld in het
vierde lid.
Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies bij
de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad alle
stukken ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek,
waaronder het schriftelijk verslag van het overleg.
Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen
van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een of meer
inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het
programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij
de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een
nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of
nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van het
afschrift van het advies van de Onderwijsraad.
Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee
weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan
de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een
verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoeld in het vierde
lid.
Paragraaf 2.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht
Artikel 11 Tijdstip vaststelling
Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding
van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan
worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per
voorziening.
Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31
december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
valt.
Artikel 12 Inhoud programma
De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen
van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra
en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma.
Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot:
de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;
de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;
de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
bijlage III. Van de voor plaatsing op het programma in
aanmerking komende voorzieningen neemt het college, aan de
hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V,
uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het
bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste
lid, toereikend zijn.
Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma af
te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage
V.
Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt,
voor zover van toepassing, door het college aangegeven:
het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor
de betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld;
het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
volzin;
de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.
Artikel 13 Inhoud overzicht
Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het
bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn
opgenomen.
Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen
wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen.
Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
programma en overzicht
De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen
twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het
college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de
bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de
besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen.
De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd met
de bekendmaking ter inzage gelegd.
Paragraaf 2.4 Uitvoering programma
Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering
Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van
de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt
alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de
voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken
gemaakt over:
het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de Wet
op het voortgezet onderwijs;
het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting
door de aanvrager;
een andere wijze van uitvoering van het besluit met
inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;
de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing
van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in
verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
omstandigheden als bedoeld in artikel 16;
de controle op en het afleggen van verantwoording over de
besteding van de beschikbaar te stellen middelen.
Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, dan
geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde
richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht genomen.
De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet
tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast
in een verslag, dat het binnen vier weken na afloop van het overleg
ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk
instemt met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet
schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud
van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
overeenstemming te zijn bereikt.
Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige
toepassing.
Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde
lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het
verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager.
Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de
voorziening geen aanvang zal nemen.
Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
omstandigheden; overlegging offertes
Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid, is
bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient
de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de
bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van het
tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
instemming in bij het college.
Binnen zes weken na ontvangst van de stukken
beslist het college over de instemming met de bouwplannen, de
desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een
aanvang neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen
deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend
met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan op
het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college deelt de
beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het
tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen twee weken
na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan de
aanvrager.
Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college
eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school
verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van
de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn
gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het college ingrijpende
wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog
niet voor bekostiging in aanmerking.
De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting, de
toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde
voorschriften, en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en
omstandigheden kunnen achterwege blijven als dat naar het oordeel
van het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan mededeling
aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in artikel 15.
De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van een
voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. De
beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft dan
uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de
genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld
in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft ingestemd, overlegt
de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als
bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college de aan de
aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de
voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van
de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld
voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee
weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
offerte met de laagste prijsstelling bepalend.
Artikel 17 Aanvang bekostiging
Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede lid of
artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling van de gelden in termijnen
plaatsvindt. De beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op
een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het programma
geplaatste voorziening.
Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging
De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de
aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar
volgend op de vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft
verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft
gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15
oktober daaropvolgend aan het college is gezonden. De
in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en
vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in
het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De
in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een
huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van
inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst. Een
koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop.
De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door
bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk
gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn, als bedoeld in
het eerste lid, bij het college heeft ingediend.
Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot verlenging
van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het
besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het
eerste lid wordt verlengd.
Hoofdstuk 3 Aanvragen met spoedeisend karakter
Paragraaf 3.1 Aanvraag
Artikel 19 Indiening aanvraag
Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting die gelet
op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan worden
ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het
college vastgesteld aanvraagformulier.
Artikel 20 Inhoud aanvraag
De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de
volgende gegevens te verstrekken:
een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;
de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon
worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen
programma;
een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in
artikel 2 onder a, onderdelen 6o tot en met 8o en artikel 2
onder d, e en f;
een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien
het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde
lid, laatste volzin.
Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na
datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de
aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de
ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag
niet te behandelen.
Paragraaf 3.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit
Artikel 21 Tijdstip beslissing
Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag
of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of
hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de
beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld
door het college.
Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden gegeven,
stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij
een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien.
Artikel 22 Inhoud beslissing
De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de
voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de
in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet
op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe
met betrekking tot:
de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I ;
de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;
de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
bijlage III .
De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
omvatten.
Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde
in bijlage IV , deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar
wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een
voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
volzin. Bij de beschikking stelt het college vast voor welke datum
een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
afschrift daarvan aan de raad moet zijn toegezonden. Binnen
vier maanden na de datum van de beschikking
door het college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een
koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.
Artikel 23 Uitvoering beslissing
Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste lid,
waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk
in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering.
Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, genoemd in
artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een termijn van drie
weken geldt. Hiervoor moet worden gelezen drie weken.
Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging
Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen
een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of
erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is
gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten
aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of
erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die
niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk
vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk
gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging
van de termijn.
Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op
totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college het
verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe datum waarop de
aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek
afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als
vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.
Hoofdstuk 4 Bekostiging bouwvoorbereiding
Artikel 25 Aanvraag
Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
aanbesteding van die voorziening.
De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt
gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
aanvraagformulier.
De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:
de naam en het adres van de aanvrager;
de dagtekening;
de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
wordt gewenst;
de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
gewenste locatie van de voorziening;
het gewenste tijdstip van realisering van de
voorziening;
een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
vereisten;
een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter
vervanging van een bestaand gebouw. Bij de rapportage wordt
gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde
formulier 'Bouwkundige opname';
een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als
een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
volzin.
Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
daarbij van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag
Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige lid, is het
bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.
Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27 Beschikking op aanvraag
Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
tweede lid, een beslissing op de aanvraag.
De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:
er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;
de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
vaststaat;
er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
kan worden gebracht.
Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
bedrag.
Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
van de voorziening op enig toekomstig programma.
Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging
De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin
de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de bouwvoorbereiding
en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft verstrekt aan het
college waaruit dit blijkt.
Hoofdstuk 5 Medegebruik en verhuur
Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie
Artikel 29 Aanduiding omstandigheden
Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of
terrein, bestemd voor een school, indien:
er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en
het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel
6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend;
het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere
huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de
behoefte aan huisvesting kan worden voorzien;
er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of
instelling gangbare berekeningswijze;
er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;
er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school.
Artikel 30 Omschrijving leegstand
Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:
wanneer het betreft een gebouw van een school voor
basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal
onderwijs, indien uit de vergelijking van het
aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit
van het gebouw in vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt
dat er ten minste een aantal vierkante meters
bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III,
deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar
gevestigde school of scholen;
wanneer het betreft een gebouw van een school voor
voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III,
deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld
op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een
overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of
de lesroosters voor het lopende of eerstkomende
schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan
vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is
van onderbenutting van de
onderwijsruimten.
Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:
wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een
of meer scholen voor basisonder-wijs of voor (voortgezet)
speciaal onderwijs, indien de som van het aantal klokuren
gebruik dat door het college wordt vergoed minder is dan 40
klokuren;
wanneer het een gebouw betreft van een school voor
voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis van
bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het gebouw
lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis
van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval
is;
wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een
of meer scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet)
speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien de som
van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal
klokuren lager dan 40 oplevert.
Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen
Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik
indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het
beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven
aan een andere school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan
die school of scholen.
Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan
die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit.
Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:
als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
biedt;
vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een
school van dezelfde richting is gehuisvest en
vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.
Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in
het derde lid opgenomen volgorde afwijken.
Artikel 32 Overleg en mededeling
Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van
leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het college
daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand
gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is
bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
artikel 10.
Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld
in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling van de
vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze
mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg
te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.
Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in
het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het
college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag
waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
huisvesting is bestemd.
Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet
het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd
gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden
afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
bezwaar tegen de vordering te hebben.
De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:
de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
waarvan wordt gevorderd;
een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan
gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in
lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat gevorderd
wordt;
een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking
heeft;
een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
gevorderd wordt;
de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van
het medegebruik.
Artikel 33 Vergoeding
De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg, met
inachtneming van de wettelijke bepalingen, een vergoeding voor het
medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, geldt
het bepaalde in bijlage IV , deel C.
Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
recreatieve doeleinden
Artikel 34 Aanduiding omstandigheden
Het college kan overgaan tot vordering indien:
er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte
zoals bedoeld in artikel 30;
er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school
voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school
of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.
Artikel 35 Overleg en mededeling
Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met
het bevoegd gezag.
In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:
voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;
of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;
welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
school hinder van het medegebruik ondervindt;
wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een
redelijke vergoeding voor het medegebruik is;
de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang
kan nemen.
Binnen vier weken na afloop van het overleg, als
bedoeld in het eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling
van de vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot overeenstemming
heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over
deze punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft
geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke
mededeling als hier bedoeld worden afgezien.
Paragraaf 5.3 Verhuur
Artikel 36 Toestemming college
Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
toestemming voor de verhuur aan het college.
Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een
aanduiding van de huurder, en de bestemming van de te verhuren
ruimte.
Het college verleent geen toestemming indien:
de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs,
Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs
of;
de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
school.
Hoofdstuk 6 Einde gebruik gebouwen en terreinen
Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud
Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
gezamenlijke akte.
Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
staat van onderhoud opgemaakt.
De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
na overleg met het bevoegd gezag.
Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.
Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
naar het oordeel van het college niet nodig is.
Hoofdstuk 7 Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet)
speciaal onderwijs
Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
inroostering gebruik
Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor
1 april voorafgaande aan het volgende
schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar voor de school
gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave
bevat de volgende gegevens:
de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
een aantal klokuren;
de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
gebruik wordt gewenst;
de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
schoolweek wordt gewenst.
De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
van toepassing is.
Het college stelt jaarlijks voor 1 mei
voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de
ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het
onderwijsgebruik door scholen voor basisonderwijs en
(voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.
Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
inroostering het volgende in acht:
de afstanden in relatie tot de omvang van het
onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
in bijlage I, deel B;
het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
gehouden school dat eige-naar is van een gymnastiekruimte
wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
voor die gymnastiekruimte;
het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
ingeroosterd in één gymnastiekruimte.
Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
de volgende gegevens:
het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
een gymnastiekruimte;
de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
gedurende welke het on-derwijsgebruik plaatsvindt;
een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
gymnastiekruimte plaatsvindt;
voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
(voortgezet) speciaal onderwijs voor
bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt
vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd
gezag van de school. Het college neemt het aantal klokuren
als bedoeld in dit lid onder d slechts op in het voorstel
tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit
beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale
klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in
aanmerking komt.
Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen
twee weken na vaststelling toegezonden aan de
bevoegde gezagsorganen voor basisonderwijs en (voortgezet)
speciaal onderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden
daarbij uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg
vindt plaats binnen twee weken na toezending van
het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
voorstel tot inroostering.
Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
het college voor 15 juni volgend op de genoemde
datum in het derde lid, de definitieve inroostering vast van het
ge-bruik van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar.
Indien het college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg
als bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan
wordt dit gemotiveerd.
Binnen twee weken na vaststelling van de
inroostering ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een
schriftelijke mededeling van het college over de inroostering in de
beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag staande
school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze mededeling is
te beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 22 en, indien
van toepassing, een beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.
Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 40 Aanspraken op basis van deze verordening
De capaciteit van de schoolgebouwen in de gemeente Lingewaard worden geacht
ten tijde van het
vaststellen van deze verordening voldoende te zijn. Aanvullende
ruimtebehoefte op basis van het nieuwe ruimtebehoeftemodel wordt met ingang
van 2010 uitsluitend toegekend op basis van een toename van het aantal
leerlingen, als deze toename op basis van de oude verordening eveneens zou
leiden tot het toekennen van aanvullende capaciteit.
Artikel 41 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
voorziet
In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 42 Indexering
Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde
normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in
bijlage IV , deel A opgenomen prijsindexen en systematiek van
prijsbijstelling.
Artikel 43 Citeertitel; inwerkingtreding
De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen
huisvesting onderwijs gemeente Lingewaard 2009.
Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na
publicatie.
Hoofdstuk 1
Artikel 2
Omschrijving voorzieningen in de huisvesting
Onderdeel van Verordening voorziening huisvesting onderwijs 2008
Verwijzingen
- artikel 4
- artikel 7
- artikel 16
- artikel 19
- artikel 4
- artikel 4
- artikel 10
- artikel 15
- artikel 6
- artikel 25
- artikel 4
- artikel 22
- artikel 4
- artikel 7
- artikel 16
- artikel 32
- artikel 21
- artikel 19
- artikel 4
- artikel 15
- artikel 22
- artikel 10
- artikel 4
- artikel 16
- artikel 16
- artikel 17
- artikel 4
- artikel 16
- artikel 11
- artikel 10
- artikel 11
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 15
- Artikel 10
- artikel 12
- artikel 3
- artikel 6
- artikel 6
- artikel 27
- artikel 18
- artikel 30
- artikel 3
- artikel 11
- artikel 6