Naar hoofdinhoud
Uitgangspunt van artikel 2.5.30 is dat de aanvrager van een bouwvergunning er alles aan doet om de parkeereis op eigen terrein te realiseren. Onder eigen terrein wordt in dit verband verstaan het terrein dat bij het te (ver)bouwen gebouw hoort. Wanneer de aanvrager echter met gegronde redenen kan aantonen dat realisering van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is, kunnen burgemeester en wethouders besluiten om ontheffing van de parkeereis te verlenen. Een ontheffing wordt geweigerd als het bouwplan zodanig gewijzigd kan worden dat alsnog wordt voldaan aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Wanneer de aanvrager met gegronde redenen kan aantonen dat dit feitelijk en/of economisch gezien redelijkerwijs niet mogelijk is kan ontheffing worden verleend als bedoeld in het tweede lid van dit artikel. Het vierde lid van artikel 2.5.30 geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid ontheffing te verlenen van de parkeernorm. Ontheffing kan worden verleend in de volgende gevallen: Het voldoen aan de parkeernorm stuit door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren. Hiervan is sprake als aanvrager met gegronde redenen kan aantonen dat het voldoen aan de parkeernorm feitelijk en/of economische gezien redelijkerwijs onmogelijk is en het belang dat wordt gediend met het voldoen aan de norm niet onevenredig wordt aangetast; er wordt op andere wijze in de nodige parkeer- en stallingsruimte voorzien. Dit is het geval wanneer: - de benodigde parkeer- of stallingsruimte in een naburige stallingsruimte binnen een loopafstand van maximaal 500 meter wordt gerealiseerd, hierbij gaat het om kleinschalige nieuw-of verbouwplannen in de bestaande stad, of: - het om bouwplannen gaat waarbij openbare parkeerplaatsen op een aaneengesloten grondgebied deel uitmaken van het bouwplangebied, hierbij gaat het om grootschalige nieuwbouwprojecten waarbij de benodigde parkeerplaatsen binnen een loopafstand van maximaal 30 meter worden gerealiseerd, of: - voor een bouwplan in het verleden parkeerplaatsen in het openbare gebied zijn aangelegd, maar alleen wanneer de aanvrager kan aantonen dat het reëel is dat de parkeerplaatsen aan het plan kunnen worden toegerekend, of: - er voldoende ruimte op de openbare weg aanwezig is om de parkeerdruk op te vangen. Voor de beoordeling van het opvangen van de parkeerdruk op de openbare weg wordt indien nodig gebruikt gemaakt van de methode ‘parkeerbalans’ uit publicatie 182 “Parkeerkencijfers – Basis voor parkeernormering” of volgende publicaties van het CROW. Wanneer op een andere wijze aan de parkeernorm wordt voldaan dan op eigen terrein, dient nauwkeurig aangegeven te worden hoe dit gebeurt. Indien een aanvrager binnen een loopafstand van 500 meter parkeerplaatsen compenseert dient de aanvrager een koopovereenkomst met betrekking tot deze parkeerplaatsen te overleggen, waarbij het gebruik van deze parkeerplaatsen niet gekoppeld mag zijn aan een ander gebouw. Het nemen van een abonnement met een duur van minimaal 10 jaar in een gebouwde permanente parkeervoorziening binnen een loopafstand van 500 meter wordt geaccepteerd als mogelijkheid tot het op andere wijze voldoen aan de parkeerverplichting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel