Criterium voor het een vervoersvoorziening in de vorm van een collectieve vervoersvoorziening in aanmerking te komen is het geen gebruik kunnen maken of het niet kunnen bereiken van het openbaar vervoer.
Die regel stamt uit de aan de Wvg voorafgaande AAW en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens). Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet wellicht een adequate voorziening getroffen worden buiten de wet, bijvoorbeeld therapie waardoor de belemmering opgeheven kan worden. Als zo een oplossing geboden wordt voor het ondervonden probleem voldoet ze niet aan de voorwaarde van langdurig noodzakelijk. Anders wordt het als blijkt dat het probleem niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden. Mogelijk bestaat dan ook een noodzaak voor een individuele vervoersvoorziening.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.2
Het recht op een collectieve vervoersvoorziening
Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Lochem