Algemeen
Artikel 35 Wi draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 Wi zijn voor de verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening overnemen, maar kan ook lagere bedragen vaststellen. Er is voor gekozen om de maximale bedragen in de verordening op te nemen en de nadere uitwerking in de beleidsregels op te nemen.
Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. In het kader van de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken) zowel aanleiding zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, Wwb) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 Wi bevat een regeling voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval géén bestuurlijke boete kan opleggen.
De hoogte van de boeten
In de verordening is in artikel 10 de hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen opgenomen. In artikel 11 is aangegeven welke verhoging van de bestuurlijke boetes kan worden opgelegd bij herhaling van de overtreding. Ook hierin is de maximale boete aangegeven en kan op grond van persoonlijke omstandigheden de boete lager vastgesteld worden.
Eveneens dient bij het onderzoek betrokken te worden hoe de boete zich verhoudt tot het inkomen van de belanghebbende. Is er sprake van een inkomen op bijstandsniveau of een (aanmerkelijk) hoger inkomen. Met andere woorden, de hoogte van de boete kan mede afgestemd worden op de hoogte van het inkomen.
Het boete overzicht is als volgt samengesteld:
1.Artikel 10, eerste lid verordening:
Indien een inburgeringsplichtige of vermoedelijk inburgeringsplichtige, geen of onvoldoende medewerking verleend aan het onderzoek, bedoeld is in artikel 25, vierde lid Wi, legt het college de volgende sanctie op:
Niet verschijnen op oproep
Bestuurlijke boete / maximaal
1e keer
Waarschuwingsbrief en een nieuwe afspraak
2e keer
€ 125
3e keer of vaker
€ 250 per keer
Misdraging tijdens intake
Bestuurlijke boete / maximaal
1e keer
Waarschuwingsbrief en een nieuwe afspraak
2e keer
€ 125
3e keer of vaker
€ 250 per keer
Verzetten afspraak
Bestuurlijke boete / maximaal
1e keer
Een nieuwe afspraak binnen 2 weken
2e keer
Waarschuwingsbrief en een nieuwe afspraak
3e keer
€ 125
4e keer of vaker
€ 250 per keer
Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het onderzoek
Bestuurlijke boete / maximaal
1e keer
Waarschuwingsbrief en een nieuwe afspraak
2e keer
€ 125
3e keer of vaker
€ 250 per keer
2.Artikel 10, tweede lid
Indien een inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste en derde lid Wi, of aan de verplichtingen, bedoelt in artikel 6 van de verordening, legt het college de volgende sanctie op:
Gedraging
Bestuurlijke boete / maximaal
1e keer
Gesprek en waarschuwingsbrief
2e keer
€ 300
3e keer
€ 500 en bëeindigen van het traject
3.Artikel 10, derde lid:
Indien een inburgeringsplichtige niet binnen de in de wet bedoelde termijn (artikel 7, eerste lid, Wi) of de door het college gegeven verlengde termijn (artikel 31, tweede lid, onder a, Wi) het inburgeringsexamen heeft behaald, legt het college de volgende sanctie op:
Gedraging
Bestuurlijke boete / maximaal
1e keer
€ 250 plus hersteltermijn
2e keer
€ 500 plus hersteltermijn
3e keer
€ 750 plus hersteltermijn
Het college legt geen bestuurlijke boete op indien voor dezelfde gedraging de bijstand kan worden verlaagd op grond van artikel 18, tweede lid, Wwb, de inkomensvoorziening kan worden verlaagd op grond van artikel 41van de Wet Investeren in Jongeren, dan wel indien voor dezelfde gedraging een boete of maatregel kan worden opgelegd op grond van een bij algemene maatregel van bestuur, bedoelt in artikel 19, eerste lid, onder a, aan te wijzen sociale zekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen.
Het college kan afzien van het opleggen van een boete indien daarvoor dringende redenen zijn.
De dringende redenen kunnen geen verband houden met de omstandigheden waaronder een verplichting niet is nagekomen, maar uitsluitend gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale consequenties voor belanghebbende of diens gezin, of
als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of
Bij een kennelijke vergissing of als er sprake is van een geringe overtreding in combinatie met het ontbreken van overtuigend bewijs en eerdere overtredingen van de verplichtingen. Voorwaarde voor het afzien van boete-oplegging is dan wel dat de niet nagekomen verplichtingen binnen een door de gemeente gestelde termijn stipt worden nagekomen.