Het college benoemt een onafhankelijk voorzitter op voordracht van de raad.
De zittingsperiode van de voorzitter is gelijk aan die van de leden van de raad en eindigt:
aan het einde van de zittingsperiode;
door opzegging;
door ontslag door het college.
De raad kiest uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter.
De voorzitter heeft een adviserende stem in de raad.
Tot de taak van de voorzitter behoort:
het mede opstellen van de agenda in de agendacommissie voor de formele vergadering;
het bepalen van dag en uur van de vergadering;
het openbaar bekendmaken van de vergadering;
het leiden van de vergadering volgens de ter vergadering vastgestelde agenda;
het handhaven van de vergaderorde;
het schorsen van de vergadering;
het toezien op een goede vergaderdiscipline;
het peilen van meningen en het mededelen van uitslagen van stemmingen;
het bewaken van het budget;
het schrijven van het jaarlijkse actieplan voor 1 november van elk jaar en het jaarverslag in het eerste kwartaal volgend op het verslagjaar.