Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 4

Niet alleenwonende alleenstaande (ouder)

Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand

1.. De bijstandsnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verhoogd met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm. 2.. De bijstandsnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder die in de woning van een ander zijn hoofdverblijf heeft wordt verhoogd met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm. 3.. De bijstandsnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder die in de woning van een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt, in afwijking van het bepaalde in het 2e lid, verhoogd met een toeslag, die is bepaald op 20% van de gehuwdennorm, indien de alleenstaande of alleenstaande ouder aantoont woonlasten te hebben die tenminste 18% van de gehuwdennorm bedragen. 4.. De bijstandsnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder die in de woning van een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt, in afwijking van het bepaalde in het 2e lid, verhoogd met een toeslag, die is bepaald op 20% van de gehuwdennorm, indien de alleenstaande of alleenstaande ouder aantoont kostgeld verschuldigd te zijn dat tenminste 36% van de gehuwdennorm bedraagt. 5.. Indien de alleenstaande of alleenstaande ouder zijn woning bewoont met meer dan één kostganger en/of onderhuurder, worden de daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan met inachtneming van artikel 33 4e lid van de wet als inkomen in aanmerking genomen voorzover daarmee nog geen rekening is gehouden bij de verhoging van de norm als bedoeld in het 1e lid. 6.. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: a.. kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar met een inkomen van ten hoogste de norm als bedoeld in artikel 20, onder a, van de wet, vermeerderd met 10 procent van de gehuwdennorm; b.. kinderen van 21 jaar of ouder doch jonger dan 23 jaar met een inkomen van ten hoogste de norm als bedoeld in artikel 21, onder a, van de wet; c.. kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 23 jaar met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000; d.. kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 23 jaar met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; e.. de alleenstaande of alleenstaande ouder waarbij een hulpbehoevende bloedverwant in de eerste of tweede graad hoofdverblijf in zijn woning heeft en de alleenstaande of alleenstaande ouder belast is met diens verzorging, dan wel indien de alleenstaande of alleenstaande ouder zelf als hulpbehoevende wordt aangemerkt en degene die voor de verzorging zorgdraagt bloedverwant is in de eerste of tweede graad; 7.. Er wordt geen toeslag aan de alleenstaande of alleenstaande ouder verstrekt voor zover deze lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het in het geheel niet verschuldigd zijn van woonlasten dan wel indien deze in zijn geheel door een derde worden voldaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel