**1..** De bijstandsnorm voor gehuwden in wier woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verlaagd met 10% van de gehuwdennorm.
**2..** De bijstandsnorm voor gehuwden die in de woning van een ander hun hoofdverblijf hebben, wordt verlaagd met 10% van de gehuwdennorm.
**3..** Op de bijstandsnorm voor gehuwden die in de woning van een ander hun hoofdverblijf hebben, wordt, in afwijking van het bepaalde in het 2e lid, geen verlaging toegepast, indien de gehuwden aantonen woonlasten te hebben die tenminste 18% van de gehuwdennorm bedragen.
**4..** Op de bijstandsnorm voor gehuwden die in de woning van een ander hun hoofdverblijf hebben, wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geen verlaging toegepast, indien de gehuwden aantonen kostgeld verschuldigd te zijn dat tenminste 36% van de gehuwdennorm bedraagt.
**5..** Indien de gehuwden hun woning bewonen met meer dan één kostganger en/of onderhuurder, worden de daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan met inachtneming van artikel 33 4e lid van de wet als inkomen in aanmerking genomen voorzover daarmee nog geen rekening is gehouden bij de verlaging van de norm als bedoeld in het 1e lid.
**6..** Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:
**a..** kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar met een inkomen van ten hoogste de norm als bedoeld in artikel 20, onder a, van de wet, vermeerderd met 10 procent van de gehuwdennorm;
**b..** kinderen van 21 jaar of ouder doch jonger dan 23 jaar met een inkomen van ten hoogste de norm als bedoeld in artikel 21, onder a, van de wet;
**c..** kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 23 jaar met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000;
**d..** kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 23 jaar met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
**e..** de gehuwden waarbij een hulpbehoevende bloedverwant in de eerste of tweede graad hoofdverblijf in zijn woning heeft en de gehuwden belast zijn met diens verzorging, dan wel indien de beide gehuwden zelf als hulpbehoevenden worden aangemerkt en degene die voor de verzorging zorg draagt bloedverwant is in de eerste of tweede graad;
**7..** De bijstandsnorm voor gehuwden wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm, voor zover de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het in het geheel niet verschuldigd zijn van woonlasten dan wel indien deze in zijn geheel door een derde worden voldaan.
Hoofdstuk 4.
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand