Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK III › § 2

Artikel 10

Artikel 10

Onderdeel van Monumentenverordening Den Haag

1.. Een vergunning als bedoeld in het vorige artikel wordt aangevraagd bij burgemeester en wethouders. 2.. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om vergunning binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Zij kunnen bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. 3.. Indien de aanvraag in behandeling wordt genomen, leggen burgemeester en wethouders de aanvraag bij de afdeling monumentenzorg van de gemeente Den Haag voor een ieder ter inzage. Indien in de aanvraag gegevens voorkomen of uit de aanvraag kunnen worden afgeleid, waarvan de geheimhouding met het oog op de bescherming van bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is, besluiten burgemeester en wethouders op een daartoe strekkend verzoek van de aanvrager dat die gegevens niet ter inzage worden gelegd. De burgemeester doet kennisgeving van de terinzagelegging op de gebruikelijke wijze en vermeldt daarbij de mogelijkheid om binnen een termijn van veertien dagen zienswijzen naar voren te brengen bij burgemeester en wethouders. 4.. Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het bepaalde in het tweede lid wordt de vergunning geacht te zijn verleend. 5.. Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning voorschriften verbinden in het belang van het monument. 6.. Burgemeester en wethouders beschikken ten aanzien van een aanvraag om vergunning nadat de monumentencommissie is gehoord en geven van de beschikking onverwijld kennis aan de aanvrager, de indieners van de zienswijzen, de Welstandscommissie en de Dienst Bouwen en Wonen. 7.. De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend. 8.. De werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan de president van de rechtbank, onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Awb is van overeenkomstige toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel