De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op beschermde monumenten. Voor de toepassing van deze bepalingen worden met beschermde monumenten gelijkgesteld monumenten, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders hebben kennisgegeven van hun voornemen tot inschrijving in het monumentenregister en wel vanaf de datum van verzending van de kennisgeving als bedoeld in artikel 5, eerste lid, met dien verstande dat de toepasselijkheid van deze bepalingen eindigt zodra onherroepelijk vaststaat, dat niet tot inschrijving in het monumentenregister zal worden besloten.