**1..** In afwijking in zoverre van artikel 7 wordt bij de bepaling van de
heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet
reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde
waarde, de waarde van:
**a..** ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor
de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als
voedingsbodem te gebruiken;
**b..** glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de
in onderdeel a bedoelde grond;
**c..** onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
levensbeschouwelijke aard;
**d..** één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet
van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de
voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende
gebouwde eigendommen;
**e..** natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
worden;
**f..** openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
**g..** waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
rechtspersonen;
**h..** werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;
**i..** werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn
aan te merken;
**j..** straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde
eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten
gerieve of in het belang van het publiek ten dienste van het verkeer
of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken,
abri’s , hekken en palen;
**k..** begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria.
**2..** In afwijking in zoverre van artikel 7 wordt bij de bepaling van de
heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten
van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in
hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Hoofdstuk II
Artikel 8
Vrijstellingen
Onderdeel van De verordening op de heffing en invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidie voor de BI-zone Vijfsluizen 2010