In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.6 verlenen burgemeester en wethouders slechts subsidie indien:
de bouw van de woning(en) is voltooid vóór 1 januari 1946;
de kosten van ingrijpende voorzieningen aan de woning, inclusief een eventueel begrote post 'onvoorzien', meer bedragen dan € 22.690,--;
naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate overleg over het bouwplan heeft plaatsgevonden met de huurder(s) van de woning(en), waarop het bouwplan betrekking heeft en/of de hen vertegenwoordigende organisaties;
voor de woning waaraan de voorzieningen worden getroffen, geen gemeente-raadsbesluit tot onteigening dan wel tot ontbinding van de erfpachtvoorwaarden is genomen
de warmteweerstand van de gevel en het dak na het treffen van de voorzieningen elijk is of hoger is dan 1,3 m2 K/W met inbegrip van de afwijkingsmogelijkheden, genoemd in artikel 27, derde lid, van het Besluit;
de werkzaamheden worden uitgevoerd door een ondernemer die:
in het bezit is van de daarvoor vereiste vergunning(en);
voldoet aan de Vestigingswet Bedrijven en het Vestigingsbesluit Bedrijven;
is ingeschreven bij een Bedrijfsvereniging voor de bouwnijverheid.
HOOFDSTUK 3
Artikel 3.7
Voorwaarden voor het verlenen van subsidie
Onderdeel van Verordening woninggebonden subsidies 1995