Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 28

Vervallen aanspraak bekostiging

Onderdeel van Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Den Haag 1997

1.. De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van een bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien door de aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart is met de bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie is verstrekt aan het college waaruit dit blijkt. 2.. De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt niet, indien de overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 15 augustus een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste lid. 3.. Het college beslist voor 1 september over het verzoek tot verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd. 4.. De aanspraak op bekostiging van het resterende krediet voor een toegekende bouwvoorbereiding vervalt indien de bouwvoorbereiding niet uiterlijk op 31 december van het derde jaar, te rekenen vanaf de aanvang van het jaar waarvoor de vergoeding bouwvoorbereiding is toegekend, is afgerond en de aanvraag tot subsidievaststelling niet uiterlijk op deze datum is ontvangen. Indien door het college op verzoek van de aanvrager uitstel is verleend als bedoeld in het derde lid, dient voor “het jaar waarvoor de voorziening is toegekend” te worden gelezen: het jaar, waarin de termijn als bedoeld in het derde lid van dit artikel, verloopt. 5.. Het college kan, enkel indien de voorziening na de daadwerkelijke start van de bouwvoorbereiding als bedoeld in het eerste lid, als gevolg van bijzondere omstandigheden die naar het oordeel van het college niet voor rekening van de aanvrager kunnen worden gelaten, niet binnen de termijn als bedoeld in het vierde lid, kan worden afgerekend, deze termijn ambtshalve verlengen.

Rechtspraak bij dit artikel