Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › § 5

Artikel 2.5.21

Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn

Onderdeel van Bouwverordening

1.. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24. wordt de grootste toegelaten hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn bepaald door de snijlijn van dat vlak met een vlak, dat; in zone 1 gaat door de achtergrens van het bouwperceel onder een hoek van 60 graden met het horizontale vlak. Indien de achtergrens van het bouwperceel niet evenwijdig loopt met de voorgevelrooilijn, geldt voor de toepassing van vorenstaande bepaling een denkbeeldige achtergrens, welke wel dit beloop heeft en met de andere grenzen een gelijke oppervlakte insluit, als het bouwperceel werkelijk heeft; in zone 2 gaat door de lijn die op gelijke afstand van de achtergevelrooilijn en de tegenoverliggende achtergevelrooilijn is gelegen en een hoek van 60 graden met het horizontale vlak maakt, dan wel gaat door de lijn die de hoek, gevormd door de achtergevelrooilijn en de tegenoverliggende achtergevelrooilijn, middendoor deelt en een hoek van 60 graden maakt met het horizontale vlak; in zone 3 gaat door de tegenoverliggende achtergevelrooilijn onder een hoek van 30 graden met het horizontale vlak. 2.. Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn. 3.. Nadere eisen kunnen worden gesteld met betrekking tot de grootste toegelaten hoogte van bouwwerken in het vlak van de achtergevel rooilijn, indien; gebouwd wordt op hellend terrein; het terrein achter de achtergevelrooilijn niet op peil ligt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel