De vergunning kan worden ingetrokken:
indien zij is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens, door de aanvrager verstrekt;
indien binnen een jaar na datum van afgifte geen gebruik is gemaakt van de vergunning;
indien gedurende langer dan een jaar geen gebruik is gemaakt van de vergunning;
indien de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet in acht worden genomen;
indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat het van kracht blijven van de vergunning op onaanvaardbare wijze in strijd zou komen met de doelmatige of milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen.
HOOFDSTUK 3
Artikel 19