Naar hoofdinhoud

§ 2

Artikel 5.

Algemene voorschriften.

Onderdeel van Liftenverordening Den Haag 1999

Met betrekking tot de installaties moeten, voor zover van toepassing, de volgende publicaties en normen, zoals geldend ten tijde van de vervaardiging van die installaties, in acht worden genomen: de leidraad voor veiligheidsmaatregelen voor liften (rapport van de commissie, ingesteld bij beschikking van de minister van Arbeid, Handel en Nijverheid van 25 april 1930, nr. 1222, afdeling Arbeid), hoofdstukken VI (artikelen 107 tot en met 122), VIII (artikelen 140 tot en met 146 en bijlage C1) en X (artikelen 170 tot en met 173, tweede lid, en 177 tot en met 179); NEN 1010 (Veiligheidsvoorschriften voor laagspanningsinstallaties); NEN 1082 (Veiligheidsvoorschriften voor elektrische goederenliften met niet-betreedbare kooi); NEN 1083 (Veiligheidsvoorschriften voor elektrische paternosterliften voor personen); NEN 1085 (Veiligheidsvoorschriften voor elektrische roltrappen); NEN-EN-115 (Veiligheidsvoorschriften voor het vervaardigen en aanbrengen van roltrappen en rolpaden); NEN 3583 (Trapliften Veiligheidseisen); NEN 3584 (Veiligheidseisen voor hefplateaus voor personenvervoer met geringe snelheid en beperkte hefhoogte); NEN 3585 (Veiligheidseisen voor vast opgestelde goederenheffers); NEN 5080 (Personenliften in woongebouwen. Afmetingen en functionele eisen); de veiligheidsrichtlijnen, vermeld in de brief van 23 april 1976 betreffende "Veiligheid Balansliften" van de Commissie Liftveiligheid aan de Stichting A.G.V. Carolinehof, Voorburgseweg 63, Leidschendam; P 119/P 120 (Verplaatsbare hangsteigers; constructie, gebruik, onderhoud); P 87 (Goederenheffers; constructie, gebruik, onderhoud); Richtlijn 89/392/EEG(Richtlijn machines); Document Gevelonderhoud.

Rechtspraak bij dit artikel