Aan een vergunning, bedoeld in artikel 30b van de wet, voor het aanwezig hebben van speelautomaten in inrichtingen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder a, of b van de wet, wordt:
de beperking verbonden, dat maximaal twee speelautomaten, aanwezig mogen zijn, met dien verstande, dat:
Type automaat a in het geval het betreft een inrichting of een gedeelte van een inrichting:
zoals bedoeld in artikel 30c, eerste lid, sub b van de wet (droge horeca), dan wel
zoals bedoeld in artikel 30c, eerste lid, sub a van de wet (natte horeca) doch welke door het publiek in de eerste plaats pleegt te worden bezocht voor het kopen en nuttige van alcoholvrije drangen en/of geringe etenswaren;
voor zover niet tevens zijnde een inrichting zoals bedoeld onder b, maximaal één van de twee een kansspelautomaat mag zijn;
in het geval het betreft een inrichting welke deel uitmaakt van een sportcomplex, gemeenschaps- of buurthuis, jeugdhonk dan wel dansschool, dit uitsluitend behendigheidsautomaten mogen zijn.
het voorschrift verbonden, dat er op wordt toegezien, dat er geen overmatig gokgedrag plaatsvindt en dat per persoon gedurende niet langer dan één uur achtereen op een kansspelautomaat wordt gespeeld;
het voorschrift verbonden, dat op kansspelautomaten door middel van stickers dient te worden gewaarschuwd voor het risico van gokverslaving;
het voorschrift verbonden, dat personen waarbij sprake is of kan zijn van overmatig gokgedrag worden gewezen op de gevaren daarvan, ten behoeve waarvan voorlichtingsmateriaal beschikbaar dient te zijn;
het voorschrift verbonden, dat door de exploitant/beheerder van de inrichting verslaafden gokverslaafden worden geweerd uit die inrichting en dat zij worden verwezen naar hulpverleningsinstellingen.
Hoofdstuk 3
Artikel 14
Artikel 14
Onderdeel van Verordening op speelautomaten en speelautomatenhallen Breda