De bijstandsuitkering van de ouder(s) wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 onder a dan wel artikel 6 van de verordening, indien naast eventuele in de norm begrepen kind(eren ) uitsluitend sprake is van één of meer niet ten laste komende inwonende kind(eren) van 18 jaar of ouder en elk van deze kinderen geacht wordt te kunnen beschikken over eigen inkomsten van ten hoogste de norm bedoeld in artikel 21, aanhef onder a van de wet. Met niet ten laste komende kinderen van 18 jaar of ouder, bedoeld in dit artikel, worden gelijkgesteld pleegkinderen die vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar zijn geplaatst op grond van de Wet op de Jeugdhulpverlening.
HOOFDSTUK 4
Artikel 7
Artikel 7
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand.