**1..** Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden;
de gedraging meer dan drie jaren voor constatering van die gedraging heeft plaatsgevonden en de gedraging een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid inhoudt;
de gedraging meer dan vijf jaren voor constatering van de gedraging heeft plaatsgevonden en de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en waarbij als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend.
**2..** Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
**3..** Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.
**4..** De verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het Openbaar Ministerie en blijft definitief achterwege indien ter zake strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter rechtszitting een aanvang heeft genomen, of het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van strafrecht.
Hoofdstuk 1.
Artikel 5.
Afzien van het opleggen van een verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2004